Geloof, hoop en heel veel liefde

Ik schrijf tegenwoordig stukjes over het onderwijs en aanverwante zaken. Zie hier een column-achtige reactie op een artikel over vmbo-leerlingen en hoogopgeleide ouders die ze liever naar een hoger type onderwijs zien gaan.

Geloof, hoop en heel veel liefde

Ik had me niet goed voorbereid. Sterker nog, ik had me helemaal niet voorbereid. Want alleen de uren waarin ik mijn workshops moest geven, zouden betaald worden. De voorbereidingstijd waren ze zoals gewoonlijk vergeten in te calculeren. Maar de uren die ik les moest geven, dat waren er best veel. Ik had dus ruim de tijd om ter plekke, in de lessen, te bedenken wat ik de leerlingen zou gaan laten maken, vond ik. Ik geloofde in mijn intuïtie en improvisatievermogen. En ik vertrouwde erop dat het een groep zou zijn van maximaal 15 kinderen.

Dat bleken er 20. Het bleken ook vmbo-kinderen. Het zweet begon over mijn rug te lopen. “Hoe krijg ik deze leerlingen geconcentreerd aan het werk?” Dat dacht de leraar die mij zou ondersteunen ook. Hij keek me grijnzend aan en uit zijn houding en opmerkingen bleek dat hij weinig vertrouwen in me had. “Je hebt de les niet voorbereid, hè?” fluisterde hij me vol leedvermaak toe toen ik hem zo ver had gekregen me toch even te helpen met het uitdelen van wat witte velletjes papier.

“We gaan allemaal een strip maken, jongens. En al die strips komen in een boekje,” negeerde ik hem. “Dat geven we donderdagavond aan jullie ouders tijdens de feestelijke presentatie.” “Jaja,” dacht die leraar, “dat zullen we dan maar hopen.” “Zorg ervoor dat zij trots op jullie kunnen zijn, want dat vinden ouders leuk.” En: “Hopelijk zijn jullie niet binnen 5 minuten klaar,” dacht ik.

Denken en oordelen, daar zijn mensen goed in, ouders dus ook. Zij willen graag de beste (lees: hoogste) opleiding voor hun lieve kind, want zij weten hoe belangrijk die is voor hun toekomst (en inkomen). Zij zien ook wat het allemaal kost: steeds meer. Ouders denken dat dit hun enige kans is. Zij zijn ervan overtuigd dat de hele toekomst van hun oogappel puur afhangt van hun opleidingsniveau. “Als je maar goed genoeg je best doet, kun je best een hoger niveau aan.” Zij hopen natuurlijk dat hun kind net zo slim of nog slimmer is als zijzelf, want zij zien zichzelf in hun kroost. Ik snap dit, zo denken volwassen. Maar is het uit liefde voor zichzelf of voor hun kind, dat ze hem op zijn tenen willen laten lopen en hem liever niet naar het vmbo willen laten gaan? Wat wil zo’n 13-jarige puberende puber zelf eigenlijk?

Die voelt vooral en wil van alles onderzoeken: wie hij is, wat hij wil en wat hij kan. Hij wil zich ontwikkelen, maar heeft daar geen vastomlijnd plan bij. En de toekomst bestaat nog niet. Tenminste, de verre toekomst, waarin je naar je werk moet, geld verdient en volwassen bent. De juiste omgeving, eentje die bij hem past op dat moment, om er achter te kunnen komen wat hij wil of niet, dat is daarbij erg belangrijk. En spelen! Niet meer met Playmobiel of springtouw, maar met zijn kunnen en eigen grenzen, samen met zijn leeftijdsgenoten. Op zijn eigen tempo, op zijn eigen manier, die hij zelf ook nog moet ontdekken. En ook al doet de puber je soms anders geloven, daar heeft hij vooral het geloof en de liefde van zijn ouders bij nodig (en minder hun gedachtes en (voor)oordelen).

Wat nou spelen? De maatschappij denkt liever in maakbaarheid. Geld, status en kansen die je moet grijpen. Plannen zijn belangrijk en efficiëntie. We mogen geen tijd verliezen! Maar misschien hebben sommige kinderen de tijd heel hard nodig op hun 13e. En hebben ze nu nog even geen zin in heel hard studeren, maar wel in hun hobby’s en eerste liefdes. Net zo goed als de cognitieve ontwikkeling hoort deze groei bij de wording van een mens. Het is alleen een emotionele en die je niet kunt afmeten aan een schoolniveau, dat vooral kennis toetst.

Terug naar de vmbo-leerlingen van de workshop. Ik was mijn twee dikke markeerstiften kwijt. Ook waren sommige leerlingen opeens verdwenen en (hopelijk veilig) Thuisgekomen. Andere hadden met een paar spuitbussen best veel stukken karton niet heel efficiënt gebruikt. Het einde van het verhaal is wel, dat de o zo hulpvaardige leraar vroeg of hij nog wat extra kopietjes mocht maken van het stripboek dat de leerlingen samen gemaakt hadden. Omdat het zo mooi was geworden. “In die ongecontroleerde chaos was er dus toch nog gewerkt!” zag je hem denken. “Dat had je niet gedacht, hè,” mompelde ik niet al te verstaanbaar. “Je moet er gewoon een beetje in geloven, man. En niet te veel denken. Of oordelen.”

edge-of-chaos-chaos-wordle-new
bron plaatje: http://www.brightandassociates.com.au/wordpress

column: Bah, leuk!

gummbah

Bah, leuk!

Of die pubers de laatste dag voor de vakantie nog wat uitspoken? typ ik met mijn ene oog op het beeldscherm en het andere op de achterkant van de Volkskrant. Vunzige, ziekelijke hompen mens, lachend banjerend in een geblokte tuinbroek of alleen in leren riem, met petje of clownsneus, druipend, puisterig, morsig, kortom: Gummbah. Ja dus, antwoordde mijn stagebegeleider, want ik mag ze op de valreep nog even herinneren aan het naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde. Maar gelukkig! Er mocht ook gelachen worden, want het laatste uur, de allerlaatste minuten voordat ze twee weken vrij gelaten zouden worden, mogen ze ‘iets leuks’ doen. Leuk, een woord dat vaak gebruikt wordt tegenwoordig in het onderwijs.

Iets leuks doen is altijd leuk natuurlijk! Aangezien ik nog maar een ondergeschikte stagiaire ben, kostte het me helaas alsnog tijd en moeite om iets voor te bereiden. Ik wil natuurlijk wel laten zien dat ik ook híer mijn hand niet voor omdraai. De cryptogrammen voor tieners waren al geregeld door de dienstdoende docent. Old school Scrabble zou ik meenemen en… strips! Dat vinden ze leuk, die pubers, want dat mag niet. Strips zijn slecht, zeggen ze in Nederland vaak. (Of was dat alleen vroeger.)

Ik banjerde naar mijn stripboekenboekenkast. Dat is zo’n groot vierkant blok opgedeeld in allemaal vierkantjes, na de Billy zo’n beetje de bekendste kast van Ikea. Maar dan doormidden gezaagd en gekanteld, kortom, het tafelmodel, waarop ik de boeken met het omslag naar boven heb neergelegd, alsof ik hier een goedlopende boekwinkel heb op 4 hoog in Amsterdam. Het oog wil ook wat.

Ik moest selecteren, omdat – tijdens je stage en ik vermoed ook daarna – achter elk idee een gedachte moet zitten. Iets met literatuur, iets met literatuur… mompelde ik terwijl ik met mijn vingers  over de boeken roetsj. Daar! Genesis van Robert Crumb. Nah, een boek uit de Bijbel vinden ze vast niet interessant. Maar er staan blote mensen in! En aangezien Adam en Eva het grootste deel van het verhaal ín het paradijs zijn, kunnen die tieners hun geluk niet op.

Daaronder lag Anne Frank. Heel andere koek. Mooi, een contrast. Goed bedacht, een gevarieerd aanbod. Goede smaak ontwikkelt zich alleen als je veel gezien hebt. Het Dagboek van Anne Frank, een topstuk van jewelste, daar kun je kinderen niet vaak genoeg aan helpen herinneren. Hup, de tas in, ook heel educatief verantwoord, trouwens. Het is bijna 4 en 5, en tegenwoordig ook 6 mei, dus daarmee speel ik mooi in op de huidige maatschappij. Hier scoor ik punten mee!

Vast ook met Kees de Jongen getekend door Dick Matena: “Mensen uit de stripwereld vinden het geen strip, omdat ze het te tekstueel vinden. En mensen uit de literaire wereld vinden het niet literair genoeg,” las ik gister in de boekenkrant. Een foto erbij van een oude kop, haar als shag, een huid van iemand die dat daadwerkelijk ook rookt als een ketting en wallen waarmee alle tranen worden tegengehouden. Er gelukkig uitzien is wat anders. “Turks Fruit zou Matena nog wel willen verbeelden, Maar verder?” Wat een zuurpruim, die Dick!

Mijn topstuk vond ik in het stapeltje stripboeken dat ik op de wc heb liggen. Net niet verschenen boeken (die hierdoor dus alsnog verschijnen), is de droogkomische titel van, natuurlijk, onze volksheld Gummbah. Als dat niet iets leuks is en iets met literatuur, dan weet ik het ook niet meer! Ik bladerde het gauw even door en zag onder andere een vrouw gekleed in lingerie gemaakt van zo’n gouden kerstboomslinger. (Perfect!) Ik kwam het woord ‘neuken’ tegen. (Goed!) Een ingewikkelde compositie van twee vrouwen met zeer weinig kleren die vrolijk lachend bukken, trekken en zichzelf, elkaar en lichaamsdelen vasthouden. (Ideaal!) Een vrouw in een grote witte onderbroek die een Hitlergroet brengt aan een plant, haar been gestoken in een een lange, bordeauxrode, leren laars. (Fantastisch!) Een vrouwenbil geaaid door de hand van een dokter. Gezellig staat erbij. (Gezellig inderdaad!)

Gewapend met deze kunstwerken sprong ik op de fiets. Het naamwoordelijk gezegde was inderdaad saai. “Waarom moeten we dat leren, juf?” “Omdat iets leuks doen nog leuker is als je eerst stomme dingen doet, Arno. Nog even de kiezen op elkaar. Met je beugel.”

Genesis werd verbazingwekkend snel in beslag genomen door het liefste meisje van de klas. Ook Anne Frank raakte ik uiteindelijk wel kwijt. “Wie wil Net niet verschenen boeken van Gummbah… niemand? Het is een heel vies boek, hoor.” Vier slaperige jongens met van die afgezakte broeken waarboven je heel makkelijk ziet wat ze eronder dragen, leken als een wesp gestoken en wisten opeens niet hoe snel ze met hun slungelige, struikelige benen hierheen moesten komen: “Wij, wij, hier, kies ons!” Ze minderden net iets te laat vaart, pletten mij tussen hun lichamen en het digibord, gristen het boek uit mijn handen om er vervolgens in een hoek van het lokaal mee te verdwijnen. “Jongens, het zijn mijn eigen boeken hè, doe er wel netjes mee, ik vertrouw ju…” Maar ze hoorden mij niet meer.

Iedereen was natuurlijk druk bezig met al dat leuke leuks, zag ik de jongens alsof zij samen bij elkaar één Gummbah-personage waren, op een kluitje boven op tafel het boek verslinden. Een hoopje jongens, gefascineerd en nog nooit zo geconcentreerd bezig. Porno in de klas, het kan. Maar alleen als het literatuur is. En leuk natuurlijk.

Onderwijsmuseum: brainstorm en tekenen!

SONY DSCSONY DSCSONY DSCSONY DSC

Hieronder nog iets superleuks van de site van het www.onderwijsmuseum.nl

image001

Het geluid van worst in de pan

In de collectie is een merkwaardige schoolplaat met worsten in braadpannen opgenomen. In de pan links is de worst afgebeeld als de letter S, rechts is de letter Z te zien. Waarom?

In 1885 bracht de Hilversumse uitgeverij J. Geradts & Co. de leesmethode Sprekende letterbeelden van de Larense hoofdonderwijzer Joh. van Wulfen (1838-1912) op de markt. Deze methode bestaat uit achttien wandplaten en negen leesboekjes. In Sprekende Letterbeelden wordt de klank rechtstreeks aan het letterteken gekoppeld. De onderwijzer vroeg aan de leerlingen: “Hoe sist de worst? […] Wijs naar de worst en doe eens zoals zij doet, als ze hard braadt. Flink op de S!” En bij de letter Z: “Als het vuur zachter wordt gezet dan maakt de in stukken gesneden worst in plaats vaneen S-klank, een Z-klank.”

De besprekingen waren lovend: “In overeenstemming met den algemeen erkenden onderwijskundigen regel, dat vooral het eerste onderwijs zijn grondslag moet hebben in de aanschouwing en zich moet vastknoopen aan ’t geen den leerling het naaste ligt, heeft de heer Van Wulfen de letters geleidelijk ontwikkeld uit beelden, die in de kinderwereld bekend zijn, en die de belangstelling in hooge mate opwekken” (uit: De Gooi- en Eemlander, 16 mei 1885). Negentiende-eeuwse schoolkinderen waren verzot op worst, zoveel is wel duidelijk.

Van Wulfens leesmethode werkte écht: na een proef met een groep leerlingen bleek dat zij – “ook de minst vluggen” – in slechts enkele uren alle letters kenden; “zonder zich te vergissen en zonder ze ooit weder te vergeten”. Een ander voordeel van Sprekende letterbeelden was, dat de juiste uitspraak erdoor werd bevorderd.

Sprekende letterbeelden uit 1885 werd een langlopend succes: bijna een halve eeuw, tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw, maakte een groot aantal Nederlandse scholen gebruik van deze methode.

© 2013 Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht.